De staatsgevaarlijke stem in het debat over de kinderen van Syriëstrijders

Excuse me my Dutch. Exceptionally, this post is written in my mother tongue. It is a kind of op-ed about an actual debate in Belgium — the question whether Belgian foreign terrorist fighters caught in Syria and Iraq, and especially their children, should be be brought back.

In het debat over het terughalen van Syriëstrijders is er een staatsgevaarlijke stem aan het werk. Een stem die getuigt van tomeloze naïviteit, die onze veiligheid bedreigt en onze beschaving ondergraaft. De stem die zich tegen die terugkeer verzet, zelfs als het over kinderen gaat.

Als iemand die geen enkele band met België heeft, hier een misdaad komt plegen — terwijl hij eigenlijk niet eens in ons land mocht verblijven —dan zetten we die liefst van al buiten. Terug naar het land hij vandaan kwam, naar de samenleving die hem voortgebracht heeft. Dat is niet onredelijk. Want elke samenleving moet voor zijn eigen problemen opdraaien.

Merkwaardig genoeg hanteren we echter een andere logica als het aankomt op Syriëstrijders. Ónze Syriëstrijders, die voor het overgrote deel bij ons geboren en getogen zijn. Ze radicaliseerden in de schoot van onze samenleving, vonden hier de motivatie en de middelen om te vertrekken en deden dat vaak ongestoord.

Zij zijn óns probleem, niet dat van Syrië of Irak. De landen waar zij terreur gingen zaaien, hebben daar nooit om gevraagd. In Syrië is er een bewonderenswaardige opstand tegen een wreed dictatorsregime ten onder gegaan aan de import van radicalisme dat hier werd gekweekt. Dat land is van zijn toekomst beroofd door wat wij hebben laten ontstaan.

We hoeven geen tranen te laten over onze Syriëstrijders die al zijn gesneuveld — en we hoeven ook geen medelijden te hebben met hen die ginder opgepakt zijn. We hebben er hier voldoende ontmaskerd om niet verdacht te kunnen worden van misplaatst begrip. Ze moeten allemaal worden behandeld als misdaadverdachten van het allerergste soort.

Tenminste, als het over volwassenen gaat. Mannen of vrouwen, dat maakt niet eens uit. Maar kinderen, dat is een andere zaak. Wie die wil straffen voor de daden van hun ouders — of hen op welke wijze dan ook minder rechten toekent dan andere Belgische kinderen — is het niet waard om zichzelf een deel te noemen van de beschaving die hij beweert te verdedigen.

Je ziet het wel vaker in de strijd tegen terreur, dat we onze eigen waarden dreigen op te geven omdat anderen onze beschaving bekampen. Maar wie zo reageert, heeft al bij voorbaat verloren. Die schaart zich eigenlijk in het kamp van de vijand. Hij wordt een collaborateur, die zijn hoogste goed weggeeft nog voor er een wapen op hem werd gericht.

Kinderen moéten kunnen terugkeren — en onze autoriteiten moeten alles doen wat in hun mogelijkheden ligt om dat te bewerkstelligen. Een land dat ooit para’s uitstuurde om vaak veel minder onschuldige burgers terug te halen uit Congo, daalt af tot de grootste diepten van lafheid met de bewering dat het nu niets voor deze kinderen kan doen.

Er zijn nu al jihadspecialisten die zich psychiaters wanen en beweren dat de kinderen tikkende tijdbommen zijn. Dat is niet gestoeld op feiten — het is pamflettisme en het gemak waarmee die bewering over de inschatting van échte deskundigen walst, zou wantrouwen moeten wekken over de waarachtigheid van zo’n specialist. Ook in zijn eigen domein.

En stel dan nog dat de haat er bij die kinderen ingestampt is. Dan valt daar nog altijd wel iets aan te doen. Een kind dat hier bij ons een gruwelijke misdaad pleegt, gooien we dat in een kerker of brengen we het naar de galg? Nee. Dat wel willen doen met de kinderen van Syriëstrijders — zelfs vóór die iets hebben misdaan — is dus pure discriminatie en het pleiten daarvoor een strafbare daad.

Ter wille van die kinderen zou het wel verantwoord zijn om hun lot heel even los te koppelen van dat van hun ouders. Ze scheiden is niet ideaal, dat klopt, maar het zou beter zijn om niet te wachten met het redden van de kinderen totdat het debat over hun ouders is beslecht. Want dan is het voor sommige kinderen wellicht reeds te laat.

Maar de slotsom zal dezelfde zijn: wij zijn in de eerste plaats verantwoordelijk — voor onze kinderen en voor onze strijders. Het is onze samenleving die hen voortgebracht heeft. Natuurlijk is het niet evident om hen allemaal hier te berechten en hier op te sluiten. Maar wat is een rechtsstaat nog waard als ze zichzelf bij voorbaat onbekwaam verklaart?

Ja, het zal veel meer van ons gerecht gaan vergen. Dat torent nu nog veel te graag boven de gerechtvaardigde angst van het klootjesvolk uit. Een misdaad is pas een misdaad wanneer ze gepleegd is, niet wanneer ze alleen nog maar in een hoofd zit. Die redenering gaat misschien op voor een handtasdiefstal, maar in zaken van terrorisme komt ze neer op schuldig verzuim.

In Frankrijk wordt er nu al een zwaardere straf gevorderd voor wie trachtte te vertrekken, dan bij ons voor wie reeds met een wapen zwaait. Omdat de wil om onze maatschappij te ontwrichten zelden blijkt te luwen tussen gevangenismuren, hebben we in zaken van terrorisme een soort van terbeschikkingstelling nodig die pas eindigt als bewezen wordt dat het gevaar geweken is.

Maar ondertussen gaat het niet op om onze problemen op de Syrische Koerden of het Iraakse gerecht af te schuiven. Die hebben al genoeg gedaan en nog genoeg te doen. Dat is méér dan een morele stellingname. Het is ook een wanhoopskreet om in te zien waar de grootste dreiging schuilt — bij Syriëstrijders die we gecontroleerd terughalen of bij hen die blijven zitten waar ze nu zijn.

Het is hopeloos naïef om te geloven dat onze Syriëstrijders ginder veiliger zitten dan hier. Ze kómen terug en als wij ze niet gaan halen, dan gebeurt het achter onze rug. De Koerden hebben er al meermaals  mee gedreigd om hun gevangenen los te laten — en zelfs als ze dat niet doelbewust zouden doen, dan gaan de IS’ers uiteindelijk wel lopen van zodra Turkije de Koerden verdrijft.

Turkije heeft zich nooit iets aangetrokken van het jihadistisch gevaar. Het werkt er zelfs mee samen. Syrië heeft zijn gevangenispoorten al eerder opengezet. Iran is altijd al een schuilplaats voor terroristen geweest en Saoedi-Arabië een financier. Er is geen enkele mogendheid in de regio die ons tegen terroristen beschermt — niet tegen de hunne, niet tegen de onze. Dream on.

Ja, Irak geeft gevangengenomen IS’ers de doodstraf en voert die ook uit. Good riddance, denken wij dan. Maar het regime in Bagdad gaat daarbij zo nietsontziend tekeer, dat het nu alweer de kiemen zaait voor een volgende opleving van de jihad. Pro memorie: heel de ellende met IS ontstond precies daar, in Irak, op precies dezelfde manier.

Lees er het recentste stuk van Ben Taub maar op na — een Amerikaanse sterreporter die zijn carrière drie jaar geleden met een portret van onze Jejoen Bontinck begon. Hij zag met eigen ogen hoe zo’n proces in Irak op vier en een halve minuut wordt beslecht — enkel steunend op een bekentenis die de beschuldigde met een blinddoek voor de ogen ondertekend had.

We snijden in ons eigen vlees door ons probleem op anderen af te schuiven — en door onze veiligheid toe te vertrouwen aan anderen. Het toekomstig bloedvergieten zal zo méér te wijten zijn aan degenen die ten alle prijze angst willen zaaien, dan aan hen die niet wegvluchten voor de problemen en naar echte oplossingen zoeken.